Biografie

18 januari 2010

Christiaan Huygens werd op 14 april 1629 geboren als tweede zoon van de dichter en staatsman Constantijn Huygens en zijn vrouw Suzanna van Baerle. De familie Huygens vormde een dynastie van hoge ambtenaren in dienst van de prinsen van Oranje. Christiaan kwam dus uit een deftig, rijk en zeer cultureel milieu.

Onderwijs aan huis

Portret van Constantijn Huygens (1596-1687) met zijn 5 kinderen, geschilderd door Adriaen Hanneman, 1640. Het schilderij is in de collectie van Het Mauritshuis.

Christiaan Huygens kreeg zijn eerste opleiding thuis van zijn vader en van leraren die door zijn vader waren aangesteld. Hij volgde deze lessen samen met zijn oudere broer Constantijn. Toen Christiaan acht jaar oud was, kwam er een speciale huisleraar. De belangrijkste taak van deze Abraham Mirkenius was de broers Latijn te leren, de internationale wetenschaps- en cultuurtaal in die tijd. De vader bleef zijn zonen onderwijzen in muziek en rekenen.

Dit onderwijs had zo veel resultaat dat Christiaan, naar zijn vader verzekert, al op zijn negende begon met zelf te componeren en met zijn broers vrolijk Latijn sprak. In de daarop volgende jaren leerde hij nog geografie, prosodie, spelen op luit, viola da gamba en klavecimbel, logica, Grieks, Frans en Italiaans. Vanaf zijn veertiende legde hij zich ijverig toe op de mechanica. Zijn vader vertelt hoe Christiaan deze kennis snel praktisch toepaste. Hij kon prenten vaardig natekenen en bouwde modellen van dingen waar hij over las:

“Besteedende voorts de snipperingen van syn tydt aen Molenties en andere modellen te maeken, selfs tot een draeybank toe, die hy in dit jaer [1643] soo by een hadde weeten te knusselen, dat hy al eenigh goedt daer op begon te draeyen.”

Zijn huisleraar Hendrik Bruno (Mirkenius was er inmiddels mee gestopt) kon deze hobbies overigens maar matig waarderen. Toen Christiaan vijftien was, werd hij rijp genoeg bevonden om te leren dansen en paardrijden en kwam er eindelijk ook een leraar wiskunde in huis: Jan Jansz. Stampioen (de Jonge).

Naar de universiteit

Detail uit Illustrium Hollandiae Westfrisiae ordinum alma academia Leidensis, 1614.

Op 11 mei 1645 schreef de zestienjarige Christiaan zich samen met zijn oudere broer Constantijn in aan de universiteit van Leiden. In die tijd had een universiteit in principe drie afstudeerrichtingen: rechten, theologie en geneeskunde. Vader Huygens wilde dat zijn zonen zich zouden ontwikkelen tot rechtsgeleerden, zodat zij volgens de familietraditie hoge ambtenaren zouden worden.

Naast rechtsgeleerdheid studeerden de broers ook de artes, of vrije kunsten. Dit was een basiscurriculum dat bestond uit een zekere algemene ontwikkeling die voor de hogere studies noodzakelijk werd geacht. De studie bestond vooral uit het bestuderen van de klassieke schrijvers en hun opvattingen op het gebied van vakken als geschiedenis, moraalfilosofie of natuurkunde. Ook de wiskundige kennis viel onder dit curriculum. Christiaan volgde in Leiden de lessen van de wiskundehoogleraar Frans van Schooten, een vriend van de beroemde Franse wiskundige en filosoof René Descartes, die onder andere een geheel nieuwe opzet van de natuurkunde had ontworpen. Huygens raakte tijdens zijn studie met deze denkbeelden grondig vertrouwd.

Liefde voor wiskunde

Wiskundige aantekening van Christiaan Huygens uit 1649.

Na twee jaar werd Christiaan door zijn vader van de Leidse universiteit weggehaald. Van maart 1647 tot augustus 1649 zette hij zijn rechtenstudie voort aan de in 1646 gestichte Illustere School te Breda, ditmaal samen met zijn jongere broer Lodewijk. Deze school was zojuist opgericht door de prins van Oranje, de broodheer van Christiaans vader, die heer van Breda was. Vader Huygens werd een van de curatoren van de hogeschool en kon er op rekenen dat zijn zoons met enige consideratie behandeld zouden worden.

Er bestaat weinig twijfel over dat de rechtenstudie niet Christiaans eigen voorkeur was. De eerdere studies hadden bij hem de liefde tot wiskundige studie en natuuronderzoek doen ontwaken. In zijn kringen gold dit meer als een soort culturele bagage waardoor een heer van stand zich kon onderscheiden van het gewone volk (en die daarom ook aan de universiteit werd onderwezen), maar die men ook weer niet al te serieus moest nemen. Maar mede onder de indruk van de nieuwe ideeën van Descartes, zag Christiaan dit als sleutel tot een nieuwe wereld, waaraan men zijn leven kon wijden. Ook vanuit Breda bleef hij met zijn Leidse leermeester Van Schooten over wiskundige onderwerpen in contact.

Met natuuronderzoek viel in die tijd echter geen droog brood te verdienen en wiskunde stond niet in hoog aanzien. Daarom bleef de vader zijn zoons richting de rechtenstudie dirigeren, waarna ze belangrijke posities in de maatschappij zouden kunnen bekleden.

Naar Parijs

Na de dood van stadhouder Willem II in 1650, kregen de Oranje-aanhangers minder aanzien. Dat betekende ook dat de invloed van vader Huygens taande en dat hij de volgende jaren weinig kon doen om zijn zoons aan een passende functie te helpen. Christiaan bleef vooralsnog ambteloos. Aangezien de familie rijk genoeg was, kon hij zich in alle rust aan zijn geliefde studies wijden.

In 1655 ondernam Christiaan een reis naar Frankrijk, samen met zijn broer Lodewijk en twee neven. Een dergelijke reis was in die tijd een gebruikelijke manier waarop jonge lieden van goeden huize hun vorming afrondden. Zij zagen wat van de wereld en leerden hoe het er aan vreemde hoven en in vreemde landen aan toe ging. Ook legden zij contacten met edelen, staatslieden en beroemdheden elders in Europa, wat hun in hun latere carrière van pas kon komen.

Christiaan deed niet alleen aan het bezichtigen van bezienswaardigheden en aan beleefdheidsbezoeken. Hij maakte in Parijs kennis met de belangrijkste wiskundigen van Frankrijk en nam deel aan de discussies die over de nieuwe ontdekkingen in het natuuronderzoek werden gevoerd. Hij sloot vriendschap met de dichter Jean Chapelain en de astronoom Ismael Boulliau. Waarschijnlijk nam hij in deze periode zijn besluit om de vervulling van zijn leven te zoeken in de wetenschap, niet in ambten of schone letteren.

Geleerd uitvinder

Christiaan bracht de volgende jaren grotendeels in Den Haag door, waar hij woonde in het huis van zijn vader. Vanuit Den Haag onderhield hij contact met de internationale geleerde wereld en in 1660-1661 en 1663-1664 ging hij opnieuw op reis. Hij bracht verscheidene maanden door in Parijs en Londen.

Een pagina uit Huygens’ Systema Saturnium.

De jaren die hij na zijn studie ambteloos doorbracht, behoren tot de meest productieve uit zijn carrière. In deze tijd deed hij enkele van zijn meest spraakmakende ontdekkingen en hij publiceerde enkele belangrijke werken. In eerste instantie trad Huygens vooral als wiskundige naar buiten. Op dit vak bleef hij zich zijn leven lang toeleggen en bereikte hij ongekende hoogten. Voor niet-specialisten is dat werk echter moeilijk te bevatten. Een meer aansprekend onderdeel zijn zijn berekeningen op de kans van winst of verlies bij gokspelletjes. Huygens is hiermee een van de grondleggers van de kansrekening.

Behalve voor wiskunde, had Huygens ook een voorliefde voor het maken van instrumenten en apparaten. In sommige gevallen ging het om speelgoedjes, zoals de toverlantaarn, in andere gevallen om serieuze wetenschappelijke instrumenten. Zo vond hij in 1656-1657 het slingeruurwerk uit. Hij publiceerde daarvan op dat moment slechts een korte beschrijving, pas later gaf hij een uitvoeriger uiteenzetting. Samen met zijn broer Constantijn legde hij zich toe op het slijpen van lenzen en het maken van telescopen. Zijn werk aan lenzen was de aanleiding tot belangrijk werk in de optica, dat voorlopig echter ongepubliceerd bleef. Wel maakte hij de ontdekkingen publiek die hij met zijn kijker deed. In 1656 publiceerde hij de ontdekking van een maan van Saturnus en in zijn Systema Saturnium (1659) onthulde hij zijn oplossing voor het raadsel van Saturnus’ merkwaardige, en steeds wisselende uiterlijk: de planeet heeft een ring. Met deze ontdekkingen verwierf Huygens als geleerde definitief internationale faam.

De Académie Royale des Sciences

Établissement de l’Académie des sciences et fondation de l’observatoire, 1666.

In 1666 kreeg Huygens alsnog gelijk met zijn eigenzinnige keuze voor een carrière als natuuronderzoeker. De Franse koning Lodewijk XIV nodigde hem uit naar Parijs, om de leiding op zich te nemen van de wetenschappelijke academie die de koning wilde oprichten. Dit was een eervolle taak die hem bovendien geen windeieren legde; de koning beloofde Huygens een jaarlijks honorarium van 6000 livres.

Huygens had zelf mee aan de wieg van deze academie gestaan. Samen met Parijse vrienden als de sterrenkundigen Azout en Petit, was hij ontevreden over het peil van het wetenschappelijke onderzoek. Het onderzoek werd enerzijds gehinderd doordat te veel mensen aan wie de ware geest ontbrak wilden meedoen, en anderzijds door een gebrek aan geld en middelen. De wetenschap dreigde daardoor nogal eens te verzanden in oeverloze discussies. Daarom drongen zij er bij de Franse koning op aan, om een professioneel lichaam in te stellen.

Academies of geleerde gezelschappen waren een bekend verschijnsel in die tijd. Het ging om gezelschappen, meestal op eigen gelegenheid bij elkaar komend, waar geleerdheid of schone kunsten werden bevorderd. Voor de opkomende natuurwetenschap waren zij van vitaal belang; juist omdat de natuurwetenschap nog geen duidelijke maatschappelijke plaats had, kon zij alleen vorm krijgen onder de bescherming van zulke groepen enthousiastelingen.

De Franse Académie Royale des Sciences was niet de eerste academie in Europa op natuurwetenschappelijk gebied. Omdat de Franse koning, die een academie goed vond passen in zijn plannen om zijn regering meer aanzien te geven, echter met zijn volle gewicht achter de plannen ging staan en ook de volledige financiering verzorgde, was het wel de eerste waar we werkelijk kunnen spreken van zoiets als een professionele wetenschap. Een nadeel had dat natuurlijk ook: de academie was sterk afhankelijk van de politieke wensen van de vorst.

Internationaal geleerde

Illustratie van een experimentele pendule klok uit Huygens’ Horologium Oscillatorium, 1673.

In Parijs zette Huygens het onderzoeksprogramma van de Académie op. Hij leverde zelf belangrijke bijdragen, vooral op het gebied van de mechanica. Een van zijn belangrijkste werken in deze periode is de Horologium oscillatorium (1673), waarin hij de wetten van de slingerbeweging afleidt en een verbeterd slingeruurwerk voorstelt. Huygens werd een van de centrale figuren in het wetenschappelijke leven van de Franse hoofdstad en ontwikkelde zich tot een internationale autoriteit.

Toen de Franse koning Lodewijk XIV in 1672 de oorlog verklaarde aan de Verenigde Nederlanden, had dat geen gevolgen voor Christiaans positie. Zijn familie bekleedde vertrouwensfuncties onder de Hollandse stadhouder Willem III, Lodewijks aartsrivaal. Maar Christiaan bleef gewoon op zijn post; zijn Horologium oscillatorium is zelfs aan koning Lodewijk opgedragen. Maar in de loop van de tijd werd het klimaat in Frankrijk intoleranter. De vrijheden van protestanten werden steeds meer ingeperkt, buitenlanders werden steeds meer met een scheef oog aangekeken. Toen Huygens sinds 1681 vanwege zijn ziekte weer in Den Haag verbleef, besloot hij uiteindelijk, op advies van vrienden die de situatie ter plaatse kenden, om niet meer naar Parijs terug te keren.

Laatste jaren

Terug in Nederland hield Huygens zich als een internationaal gerespecteerd geleerde onder meer bezig met de verdere ontwikkeling van zijn slingeruurwerk. Hij hoopte het geschikt te maken voor gebruik op zee, zodat het gebruikt zou kunnen worden om de geografische lengte te bepalen. De tests gaven echter geen bevredigend resultaat. Ook hield hij zich opnieuw bezig met de optica. Dit leidde tot een nieuwe theorie van het licht, die hij in 1690 publiceerde in Traité de la lumière. Met zijn theorie verklaart hij het raadsel van de dubbele breking in IJslands kristal (calciet).

Ondertussen is er een jongere garde onderzoekers opgestaan: mensen als de Engelsman Newton en de Duitser Leibniz, met nieuwe ideeën en nieuwe methoden. Huygens volgde hun ontdekkingen kritisch, maar wel vol belangstelling. In de zomer van 1689 bracht Huygens na jaren weer een bezoek aan Londen, waar hij onder andere Isaac Newton ontmoette, van wie kort daarvoor het meesterwerk Philosophiae naturalis principia mathematica was verschenen. In 1695 ging zijn gezondheid hard achteruit. Hij stierf op 9 juli van dat jaar, na eerst een testament te hebben gemaakt. Zijn papieren liet hij na aan de universiteit van Leiden, waar zij nu nog zijn. Zijn instrumenten en lenzen bleven in het bezit van de familie Huygens tot 1754, toen de verzameling bij opbod werd verkocht en verstrooid raakte.

In Nederland verbleef Christiaan Huygens in Hofwijk, gebouwd in opdracht van zijn vader Constantijn Huygens.